Follow project on Twitter
NederlandsEnglish

Blok 4: Redeneren in de verleden tijd

Definitie 5:


“{eigennaam 1} was een/de/het {enkelvoudig zelfstandig naamwoord} van {eigennaam 2}”
waaruit kan worden geconcludeerd
“{eigennaam 2} heeft geen {enkelvoudig zelfstandig naamwoord} meer


“{eigennaam 1} was een/de/het {enkelvoudig zelfstandig naamwoord} van {eigennaam 2}”
waaruit kan worden geconcludeerd
“{eigennaam 2} heeft een {enkelvoudig zelfstandig naamwoord}, genaamd {eigennaam 1}”


Voorbeeld:


Variabelen: eigennaam 1 = “Johan”, eigennaam 2 = “Peter”, enkelvoudig zelfstandig naamwoord = “vader

> Gegeven: “Johan was de vader van Peter.”

• Gegenereerde conclusies:
< “Peter heeft geen vader meer.”
< “Peter had een vader, genaamd Johan.”


Definitie 6:


Ieder(e) {enkelvoudig zelfstandig naamwoord 1} is een {enkelvoudig zelfstandig naamwoord 2}”
en
“{eigennaam} was een {enkelvoudig zelfstandig naamwoord 1}” 1
waaruit kan worden geconcludeerd
“{eigennaam} was een {enkelvoudig zelfstandig naamwoord 2}”


Voorbeeld:


Variabelen: enkelvoudig zelfstandig naamwoord 1 = “vader”, enkelvoudig zelfstandig naamwoord 2 = “man”, eigennaam = “Johan

> Gegeven: “Iedere vader is een man.”

• Gegenereerde conclusie:
< “Johan was een man.”


1 De zin “Johan was de vader van Peter” uit het vorige voorbeeld moet herkend worden als “Johan was een vader”.