Follow project on Twitter
NederlandsEnglish

Blok 4: Redeneren in de verleden tijd

De algebra van taal die hieronder genoemd wordt, past de volgende structuurwoorden toe: “de/het”, “was”, “heeft”, “had”, “van”, “genaamd” en “geen […] meer”.


“{eigennaam 1} was {bepaald lidwoord + enkelvoudig zelfstandig naamwoord} van {eigennaam 2}”
waaruit kan worden geconcludeerd
“{eigennaam 2} heeft geen {enkelvoudig zelfstandig naamwoord} meer


“{eigennaam 1} was {bepaald of onbepaald lidwoord + enkelvoudig zelfstandig naamwoord} van {eigennaam 2}”
waaruit kan worden geconcludeerd
“{eigennaam 2} had {onbepaald lidwoord + enkelvoudig zelfstandig naamwoord} genaamd {eigennaam 1}”


Ieder(e) {enkelvoudig zelfstandig naamwoord 1} is {onbepaald lidwoord + enkelvoudig zelfstandig naamwoord 2}”
en
“{eigennaam} was {onbepaald lidwoord + enkelvoudig zelfstandig naamwoord 1}” 1
waaruit kan worden geconcludeerd
“{eigennaam} was {onbepaald lidwoord + enkelvoudig zelfstandig naamwoord 2}”


Voorbeelden:
> Ingevoerd: “Johan was de vader van Peter.

• Gegenereerde conclusies:
< “Peter heeft geen vader meer.
< “Peter had een vader, genaamd Johan.
>
> Ingevoerd: “Iedere vader is een man.

• Gegenereerde conclusie:
< “Johan was een man.


1 De zin “Johan was de vader van Peter” moet herkend worden als “Johan was een vader”.